individuele tentoonstelling

Jan de Vries

ZA 13.01 — ZA 17.02 2007

De artefacten van Jan de Vries ogen uiterst broos en verfijnd; en ze onttrekken zich bijna geheel aan het ‘hier en nu’ moment van hun verschijning. Op een geraffineerde manier flirten ze met donkere gevoelens van leegte en vergankelijkheid: het zijn fantoomobjecten, drukgevoelige prints van ideeën die maar heel uitzonderlijk in een definitieve vorm gematerialiseerd kunnen worden.


Jan de Vries’ fascinatie voor vergankelijkheid weerspiegelt zich in de finesse waarmee hij democratische media als gips, houtskool, inkt of papier met een efemeer, ontastbaar aura van exclusiviteit omhult. Noem het een vorm van technische weerspannigheid: de toepassingsmogelijkheden van de materialen worden bijna tot op atomair niveau afgetast, ongeacht hun houdbaarheid. Er ontstaat een vreemdsoortige vermenging van sculpturaal en grafisch denken. Grote bladen worden onder verpulverde houtskool bedolven en dragen tere, diepzwarte pigmentlandschappen. Zware gipsen platen zien eruit als grote bladen onbedrukt papier. Het is veelzeggend dat Jan de Vries op een van die vormen een filigraan in het witte vlak verwerkt heeft - de term verwijst naar de merktekens die papierfabrikanten uit de achttiende eeuw in handgeschept papier lieten drukken.

De kunstwerken maken deel uit van een beladen artistiek parcours dat in 1996 afgebroken werd door de zelfdoding van de kunstenaar. Jan de Vries stierf op dertigjarige leeftijd, en hij liet een in kwantiteit beperkt oeuvre na dat zich vooral in die laatste jaren als een coherent geheel met prikkelende vooruitzichten ontwikkelde. Vandaag maakt het nog steeds een verontrustende en exclusieve indruk; het blijft de verwachtingen van de toeschouwer op een radicale manier op de proef stellen.

In 1998 werd een postume overzichtstentoonstelling in de Sint-Lukasgalerij in Brussel georganiseerd, ‘uit de overtuiging dat het werk van Jan te mooi is om reeds definitief te worden opgeborgen.’ Naar aanleiding van die expositie schreef Els Roelandt een artikel voor de Tijd, waarin ze de complexe verhouding tussen het leven en de kunst van Jan de Vries als volgt verwoordde:

De beelden van Jan de Vries zijn van een haast ongeziene broosheid. Vervaardigd uit gips, spierwit en flinterdun staan ze tegen de muren aangeleund, in een concave of convexe kromming. Het is alsof ze als ding nauwelijks willen bestaan, zo teer zijn de afgietsels. Eigenlijk voorspellen ze al wat zal komen, in hun broosheid verwijzen ze naar de kwetsbaarheid van het leven, naar de ijdelheid van het bestaan. (Els Roelandt, Gedenk te sterven, FET, Cultuurbijlage, 25/04/98)

Zowel in zijn beelden als in zijn tekeningen merk je dat de Vries uiterst precies en perfectionistisch te werk ging, hij had oog voor detail en, zo blijkt uit een fotoreeks die hij in 1995-96 samenstelde, had een talent om de triestheid en de broosheid van het leven in schoonheid vorm te geven. De fotoreeks, opgenomen in Het boek der wereldse wonderen1, is het laatste en misschien ook het krachtigste werk dat de kunstenaar heeft kunnen creëren. Het is onderverdeeld in kleine sequenties, reeksen van foto’s met elk een eigen motief en een verschillende structuur.

Zijn korte carrière eindigde geenszins op een thematisch en inhoudelijk cul-de-sac. Zeker in de laatste jaren was er zijn werk een zekere – excusez le mot – lichtvoetigheid merkbaar, die de fragiliteit van zijn artistieke ingrepen mooi in de verf zette. Zijn niets ontziende aspiraties ten opzichte van het kunstenaarschap vormden geen obstakel meer: in plaats van perfectionistisch absolutisme vertolkten zijn werken gaandeweg een vroegwijs fatalisme, dat meer door inzicht dan door werkelijke ervaring aan de oppervlakte kwam.

In 1994 maakte hij nog een indrukwekkende installatie voor een groepstentoonstelling Glissements in het kunstencentrum ‘Le Creux de l’Enfer’ in Thiers. Laurence Gateau, de toenmalige directrice, gebruikte een deel van de installatie in ’95 ook voor de tentoonstelling Pour un couteau. Jan de Vries doopte het werk voor die gelegenheid om tot ‘A double tranchant’. Een mes dat aan twee kanten snijdt: die titel was spijtig genoeg niet zo vrijblijvend als men achteraf zou wensen.

1 Het boek is in 1990 postuum uitgegeven onder de titel Co-Relief door Timothy Stappaerts and MERZ.
ISBN: 90-6917-005-1