individuele tentoonstelling

William Cobbing

ZA 11.11 — ZA 16.12 2006

William Cobbing

Netwerk volgt William Cobbings werk al geruime tijd op de voet. Een residentie aan de British School in Rome opende nieuwe perspectieven in zijn oeuvre, in die zin dat hij zich ging toeleggen op de psychologische dimensie van archeologische erfenis van Pompeii. In zijn meest recente werk bouwt hij onder meer verder op Freuds pionierswerk en diens vergelijking tussen Traumdeutung en archeologie.

William Cobbings sculpturale acties zijn erop gericht om de fysieke band tussen een individu en zijn omgeving gelijktijdig te verstoren en te versterken. Soms resulteren ze letterlijk in een soort prothese: anonieme personen worden via pseudo-lichamelijke elementen in hun architecturale context opgenomen. Muren en mensen krijgen gemeenschappelijke ledematen, waardoor er tussen beide een verwarrende osmose ontstaat. In Column (2000) verdwijnt het hoofd van een man in een stalagmietvormige uitstulping aan het plafond. In Parting #1 (2002) is de buik van een vrouw met een soort navelstreng aan de wand vastgemaakt. Cobbings werk kan geïnterpreteerd worden als een vorm van primair architecturaal en lichamelijk bewustzijn, dat via magische sculpturale ingrepen een uitwendig karakter krijgt.

Maar die indruk wordt gefilterd door de klinische cool waarmee Cobbing de eigenaardige extensies presenteert. De amorfe uitstulpingen mogen de witte tentoonstellingsruimtes een eng humanoïd karakter geven, hun specifieke impact op de subjecten blijft onderhuids en ongedefinieerd. De mannelijke of vrouwelijke nobody’s die Cobbings acties voor de foto ondergaan, lijken zich van geen kwaad bewust: met een volstrekte gelatenheid nemen ze deel aan het universum dat de kunstenaar voor hen in scène zet. Genereert een generische ruimte per definitie een generisch bewustzijn? Het werk van William Cobbing herinnert in elk geval aan de bilaterale wisselwerking tussen mens en gebouw. Het ideaal van neutraliteit dat binnen de white cube (en in modernistische architectuur in het algemeen) hooggehouden wordt, ontkomt niet aan zijn inherent absurd karakter. Bij Cobbing draait die vaststelling op een toestand van existentiële vervreemding uit.

Tijdens zijn recente verblijf aan de British School in Rome, begon William Cobbing te werken rond een roman van de Duitse schrijver Wilhelm Jensen, Gradiva (1903). Het boek gaat over een zekere Norbert Hanhold, een archeoloog die gefascineerd wordt door een vrouwenfiguur op een Romeins bas-reliëf in het museum van Napels. Hanhold droomt dat hij in de tijd terugkeert om de vrouw – die hij de naam Gradiva geeft - te volgen tijdens een wandeling door Pompeii anno 79 n.C., het jaar van de uitbarsting van de Vesuvius. Door haar ongrijpbare tred blijft ze onbereikbaar voor de archeoloog en wordt ze voor hem een metafoor van onvervuld verlangen. De ongestilde Sehnsucht die Sigmund Freud in het verhaal detecteerde, bracht hem ertoe om een psychologische analyse te maken van de dromen van het hoofdpersonage. In 1907 publiceerde hij zijn bevindingen in het artikel Der Wahn und die Träume in W. Jensens ‘Gradiva’. De literaire benadering van Pompeii’s archeologische erfenis opende een nieuw terrein voor William Cobbing. Als beeldhouwer was hij uiteraard al vertrouwd met de werkwijze waarop archeologen de naamloze slachtoffers van de uitbarsting van de Vesuvius in gips afgegoten hadden, maar de teksten van Jensen en Freud zorgen voor een aansluitende psychologische dimensie. In hun interpretaties staat de analogie tussen dromen en opgravingen centraal, waarbij de archeologie als metafoor dient voor de psychoanalytische praktijk. Freud, een notoir verzamelaar van archeologische objecten, vergeleek zijn rol graag met die van een archeoloog: laag voor laag legt hij de onderdrukte trauma’s in de menselijke psyche bloot. Zijn bevindingen hadden van bij het begin een sterk literaire en erudiete inslag, waardoor het niet zo verrassend is dat fictieve romanpersonages zoals Norbert Hanhold een volwaardige psychoanalytische behandeling kregen.

Freuds en Jensens fictieve psychologische constructies maakten van Gradiva enkele jaren later een opwindend personage voor surrealistische schrijvers en kunstenaars. Als droom- beeld van de wegvluchtende ideale vrouw had ze voor hen iets onweerstaanbaars archetypisch. Tussen de expliciete scènes van Pompeii’s erotica was zij suggestief terughoudend en haar ontblote enkel op het bewuste bas-reliëf gaf meermaals aanleiding tot voetfetisjistische projecties. De bizarre kronkels van de menselijke geest – Jensen laat zijn hoofdpersonage in Pompeii vertwijfeld neerknielen bij een voetafdruk van zijn onbereikbare geliefde – vergelijkt Cobbing met een ondergronds riolenstelsel: een complex universum dat enigszins voor het daglicht verstopt mag blijven. Hij maakte een riooldeksel met het bewuste Gradiva-reliëf en liet het klassieke deksel met SPQR-logo tijdelijk voor zijn eigen versie omwisselen ( Gradiva Project. Pompeii Reg. VI Insula XIV, 2006). Die ingreep herhaalde hij op de Via Gramsci in Rome ( Gradiva Project. Rome, 2006). Het deksel ziet hij als een kwetsbaar membraan tussen het bewuste en het onderbewuste; Gradiva krijgt hier wederom haar dubbelzinnige rol als koppelaarster tussen beide niveaus toebedeeld.

Riolen en sanitair vormen ook het materiaal van een van zijn nieuwe producties voor Netwerk. Op de gevel van het gebouw voorziet William Cobbing een netwerk van buizen, urinoirs en radiatoren. Ze worden op zo’n manier aan de gevel bevestigd dat het er van buitenaf zou kunnen uitzien alsof er ooit een aanpalende ruimte tegen de Netwerkgevel aangebouwd was – en het sanitair in dat geval het enige overblijfsel is van een fictieve kamer waarvan alle andere muren al verdwenen zijn. Cobbings referenties zijn hier andermaal literair, de ingreep verwijst naar Italo Calvino’s beschrijving van de imaginaire stad Armilla in zijn roman Invisible Cities (1974). Against a sky a lavabo’s white stands out, or a bathtub, or some other porcelain, like late fruit still hanging from the boughs. You would think the plumbers had finished their job and gone away before the bricklayers arrived; or else their hydraulic systems, indestructible, had survived a catastrophe, an earthquake, or the corrosion of termites.

William Cobbing (°1974, Londen) woont en werkt in Londen. Opleiding: 2000 De Ateliers, Amsterdam / 1997 Central Saint Martins College of Art & Design, Londen. Tentoonstellingen (selectie): 2003 Percy Miller Gallery, Londen / 2002 Galerie Fons Welters.