tekst

Fordham

Toelichting per kunstenaar

Åbäke is een collectief van grafisch ontwerpers, bestaande uit Patrick Lacey uit Wales, Benjamin Reichen en Kajsa Stahl uit Zweden en Maki Suzuki uit Japan. In hun activiteiten is het concept van samenwerking essentieel. Meer nog, ze hebben er specifiek voor gekozen om zich toe te leggen op grafisch ontwerp, omdat daarin het aspect van samenwerking ingebed zit, en omdat het een democratische verspreiding van het resultaat mogelijk maakt. Door middel van onder meer bedrukte T-shirts, posters, ingrepen in tijdschriften en acties engageert Äbäke zich in steeds wisselende ‘communities’.

Het werk van Bernd Behr onderzoekt vormen van wat hij zelf “architecturale performativiteit” noemt. Zo maakte hij bijvoorbeeld een diapresentatie over de Japanse wolkenkrabber waarin de SARS-epidemie uitbrak, en doorprikte zo op een confronterende manier de ‘steriele’ connotatie van modernistische, utilitaire architectuur. In het kader van Fordham presenteert Behr de video Hotel Palindrome (before R. Smithson). Daarin grijpt hij terug naar de legendarische lezing Hotel Palenque die de even legendarische Land Art-kunstenaar Robert Smithson in 1972 hield aan de University of Utah. Tijdens die lezing ging Smithson in op zijn concept van de “ruin in reverse”, de ‘tegengestelde ruïne’, naar aanleiding van zijn ervaringen tijdens zijn verblijf in een hotel in opbouw in Palenque, Mexico. Smithson ervaarde de constructie van dat hotel, die zo lang aansleepte dat delen ervan alweer in verval raakten, als iets zeer dubbel, tegelijk constructie en reconstructie. Behr past een gelijkaardig principe toe op de lezing van Smithson. Hij laat twee professoren die destijds getuige waren van de lezing vanuit hun herinnering praten over Smithson en combineert dit met beelden uit het auditorium waar de lezing oorspronkelijk doorging.

Het werk van Ben Cain gaat in essentie over communicatie. Via zijn werk wil hij een direct contact bewerkstelligen met de toeschouwer, met een bepaalde gemeenschap of met een specifiek instituut. De plaats van de deelnemer/toeschouwer in een gesprek, een samen-werking of een presentatie is een essentieel onderwerp in zijn werk. Dit leidt tot een beeld-vorming waarin duidelijk leesbare, bijna iconische elementen een belangrijke rol spelen. Cain maakt evenwel vaak gebruik van complexere, gelaagde beelden waarin zijn situering van ‘het publiek’, ‘de beschouwer’ of ‘de gemeenschap’ verbonden raakt met reflecties over geografische grenzen, meertaligheid, culturele identiteit, werkelijke geschiedenis en virtueel geheugen.

Simona Denicolai & Ivo Provoost blazen systematisch alle beveiligingsmechanismen van het artistieke bedrijf op. Hun werk vormt een statement tegen kunst die zich naast de maatschappij plaatst en tegen een vorm van artistieke praktijk die zich verschuilt in de begrenzingen van een medium, van een individueel gevoerd discours of van het ongenaakbare kunstobject. Met een zekere vanzelfsprekendheid en met het plezier van een milde subversie engageren Denicolai en Provoost zich in de complexiteit van het leven. Ze gaan om met de onstabiliteit en de onzekerheid die eigen zijn aan een sociale situatie. Hun ingrepen worden meestal op een uitdagende manier in de publieke ruimte geplaatst, en zoeken als dusdanig een evenwicht tussen chaos en orde. Als geheel lijkt hun werk een reflectie te zijn over hoe een context (beeldend, sociaal, discursief,...) bepalend is voor een particuliere mentale conditie.

David Goldenberg definieert zijn werk en activiteiten als een onderzoek naar of een oefening in “Post Autonomous Practice”. Die ‘post-autonome praktijk’ heeft onder meer betrekking op het in kaart brengen van de mechanismen van globalisering en kolonisatie, en op het onderzoeken van de rol die kunst daarin speelt. Hij wil krachtdadige oplossingen en alternatieven formuleren voor de hiërarchische en koloniale systemen die de basis vormen van de Europese kunsttraditie. Via een praktijkgerichte analyse van culturele, maatschappelijke en politieke krachten wil hij een nieuw denkkader ontwikkelen van waaruit kunst opnieuw kan uitgevonden worden. Hij zal in Netwerk een installatie bouwen met manipuleerbare ‘props’, en Goldenberg zal een 48 uur durende wake houden met een discussie over ‘Post Autonomy’.

Het werk van Patrick Guns laat zich moeilijk vatten, hoewel hij constant gebruik maakt van herkenbare motieven en een helder exposé. Zijn werk lijkt steeds een uitgangspunt te nemen in (soms zeer grote) tekeningen, die meestal hun plaats vinden in meer omvattende installaties en presentaties met beeldhouwwerken of geassembleerde figuren. Hij kent identiteitsloze, stripachtige personages poses toe die we eerder associëren met houdingen op religieuze schilderijen, op sensatiefoto’s in kranten of op didactische illustraties. Guns’ gelaagde werk slingert heen en weer tussen traditionele en actuele beeldvormen. Hij maakt vaak gebruik van theatrale en humoristische registers, alsof het om een afleidingsmanoeuvre gaat, want de uitkomst van de meeste werken is vrij morbide.

“Waar kijk je naar als je aan het luisteren bent?”, dit is slechts één van de vragen die Conor Kelly stelt aan de toeschouwer of hoorder. Dergelijke kwesties liggen aan de basis van een opvallend divers oeuvre, waarin Kelly - zeker in de laatste jaren - de mogelijke verhoudingen tussen beeld en geluid aftast. Recent maakt Kelly vooral video installaties. Met die installaties slaagt hij erin om bijvoorbeeld geluid zichtbaar en tastbaar te maken door in te zoomen op vibraties, of omgekeerd, om het beeld te vervullen met ritme, melodie of tijde-lijkheid, om met andere woorden het geïsoleerde karakter van onze zintuigen in vraag te stellen. Daarbij is enerzijds een bijna fetisjistische fascinatie voor muziekinstrumenten en geluidsapparatuur merkbaar, anderzijds heeft Kelly bijzonder veel aandacht voor onze al te vertrouwde, dagelijkse visuele en sonore omgeving, zoals de wind die door een boom ruist, het geluid van regen, de reflecties in een rimpelend wateroppervlak...

Maia Naveriana is een performance-kunstenares van Georgische oorsprong die momenteel in Londen leeft en werkt. In haar performances lijkt ze in de eerste plaats een vorm van esthetische ervaring te reconstrueren, als een conflictueuze ontmoeting tussen culturele en natuurlijke elementen. Die soms beklemmende ervaringen vinden tevens een neerslag in tekeningen (vaak in kleurpotlood), die gepresenteerd worden in de provisoire en lichte architectuur van een installatie. Naveriana her-creëert een wereld waarin vrijheid en verwondering gehypothekeerd worden door visuele schoonheid en glamour.

Het werk van Sophie Nys is scherpzinnig en humorvol. Daarbij kiest ze niet voor de platgelopen paden van de subtiele ironie of gecompliceerde slimmigheden, haar werk is zowel visueel als inhoudelijk heel direct. Ze gebruikt daarbij media die gemakkelijk een brede verspreiding kennen, zoals grafiek (in de vorm van posters of bijdragen aan tijdschrif-ten) en pseudo-documentaire film. Nys combineert hierin een gedegen inzicht in een kunst- en cultuurhistorisch debat met een relativerende toon. In haar videowerk is de lichtvoetigheid evenwel vaak bedrieglijk. Haar aandacht voor de werkelijke betekenis van dingen, acties en situaties die ons alledaags of banaal toeschijnen, blijven verrassend lang nazinderen in een maatschappelijke of culturele realiteit.

In de visie van Kristin Posehn staat elk kunstwerk voor de mogelijkheid tot een ruimtelijk, conceptueel en ervaringsgericht traject. De notie van het traject mag vrij letterlijk genomen worden; het betreft daadwerkelijk een ‘reisweg’. In de witte, cleane binnenruimtes van tentoonstellingszalen creëert Posehn installaties van een landschappelijke allure, vaak met materialen die we eerder associëren met de ruimte buiten, zoals aarde, asfalt, graszoden... In installaties die te groot en te complex zijn om in één oogopslag te zien of om vanuit één perspectief te beschouwen, nodigt ze de toeschouwer uit een eigen (werkelijk of mentaal) traject te kiezen. Haar werk stelt vragen over de verhouding tussen binnen en buiten, groei en verval, beeld en realiteit, en het vormt vaak een reflectie op de oude schilderkunstige genres van het stilleven en het landschap. In haar meest succesvolle realisaties slaagt ze er in een verhalende structuur tastbaar te maken als het samenvallen van ruimtelijke en temporele aspecten.

Audrey Reynolds grijpt in haar kunst terug naar een elementaire en zuivere vorm van creatie. Daarvoor wendt ze een uiterst flexibel, letterlijk kneedbaar materiaal aan: plasticine. In plasticine-’schilderijen’ aan de muur en in vrijstaande sculpturen verbeeldt ze een vorm van primaire chaos die alle dingen gemeen hebben. Haar werken lijken een weergave te zijn van het vitale elan van de ‘eerste materie’ die een vormzoekt, maar tegelijk volhardt in een wanordelijke synthese waarin elke ‘gestalte’ ontkend wordt.

Jozef Somerlinck bekleedt een enigszins aparte positie in de wildgroei aan minimalistische, abstracte en constructivistische tendensen die de jaren 1970 hebben opgeleverd. In tegenstelling tot het heroïsche, onaantastbare karakter van het ‘klassieke’ minimalisme, zijn de werken van Somerlinck van een menselijke proportie en bescheidener van opzet. Zijn realisaties bestaan meestal uit een ingreep in bestaande architectuur, met goedkope materialen zoals plakband, papier en hout. Zulke ingrepen mogen dan wel bescheiden zijn, ze zijn bepalend voor de (visuele) beleving van een ruimte of een gebouw. Via een continu spel met tonen en verhullen grijpt Somerlinck in in het leven zelf.