tekst

I wish for a rollercoaster

Chronotopie in het werk van Lucie Renneboog

Gerrit Vermeiren Netwerk Galerij Handleiding 01-02

Let’s pretend
ALICE1

De installaties van Lucie Renneboog, met hun expansieve ontwikkeling in de ruimte, lijken te refereren aan landschappen (van urbaan tot buitenaards), labyrinten, arena’s en rollercoasters. Ze zijn samengesteld uit in hoofdzaak verpakkingsmateriaal, zoals karton, piepschuim, tape, multiplex,... Het gegeven van de achtbaan of de rollercoaster kan gelden als illustratief voor de toon van haar werk. Haar installaties worden immers gekenmerkt door een soort avontuurlijkheid die opwindend is, maar in de kern ongevaarlijk en gedetermineerd, en net daardoor niet ‘echt’. Die dualiteit, waarmee Renneboog het fundament van de entertainmentbusiness imiteert, vormt één van de hoekstenen van haar werk.

Haar realisaties zijn te groot om ze als maquette te ervaren en te broos, te veel ‘tekening in de ruimte’ om een werkelijke zwaartekracht te verwerven. Ze houden zich op in de regionen waar ook de bordkartonnen decors van oude, lowbudget sciencefictionfilms zich bevinden. Ergens wordt de illusie wel opgehouden, maar niet voor lang, omdat dit in essentie niet de bedoeling is. Maar de raakvlakken met film gaan veel verder dan een oppervlakkige associatie met de decors van een bepaald filmisch genre. Renneboog ziet het effect van film - de zuigkracht van het beeld en vooral het vermogen van dit medium om de toeschouwer naar elders te voeren - als een geldende metafoor voor de doelstellingen binnen haar artistieke visie, gebaseerd op kortstondig entertainment en cheap thrills. Een andere, meer specifieke gelijkenis met film is het feit dat Renneboog in haar installaties tot op zekere hoogte gebruik- maakt van de chronotopie. De chronotopische aanpak is een beproefde formule in de filmwereld. Bij de chronotopie vangt de film aan met een sequens waarin de personages geheel afwezig blijven, en waarin uitsluitend de ruimtelijke context getoond wordt. De vlucht over een landschap aan het begin van een film of de zoekende camerabewegingen in de verlaten kamers van een landhuis zijn klassiek. In die matrix ontstaat dan een focus vanwaaruit de actie vertrekt. Deze beelden zijn meer dan een sfeerschepping of de voorstelling van de site waarin het gebeuren zal plaatsvinden. Ze definiëren het landschap en de architectuur als een soort passief personage, als een voorwaarde en een katalysator voor de stroom van gebeurtenissen. De ruimtelijke gegevens hebben onmiskenbaar invloed op het gedrag en de keuzes van de personages, ze zijn een factor in de determinatie. Ondanks haar statische of zelfs stabiele karakter dringt de omgeving door in de performativiteit.

In haar werk flirt Renneboog met de voorwaarden van een chronotopisch procédé. Wat steeds opvalt in haar installaties, ondanks hun vaak complexe karakter, is de totale afwezigheid van de menselijke figuur of van gewone gebruiksvoorwerpen. Alles refereert aan landschappelijke of architecturale elementen, die ze bewust ‘onbewoond’ presenteert. De betekenis wordt volledig gegenereerd vanuit de ruimtelijke context, en niet vanuit een verhaal, een illusoir beeld of een theorie. De toeschouwer wordt uitgenodigd om zichzelf te plaatsen binnen de landschappelijke voorstellen, letterlijk of in gedachten. De gecreëerde locus, als afspiegeling van de wensen en verbeelding van de kunstenaar, vormt voor de toeschouwer de leidraad in een denken over het suggestieve karakter van een omgeving. De installaties, soms merkwaardig concreet in hun gebrekkige materialiteit, worden matrices voor mentaal reizen. Maar de suggestie wordt nooit een illusie, er ontstaat nooit een focus, er komt nooit een verhaal. De chronotopie wordt geblokkeerd, de potentiële performativiteit wordt teruggeschroefd tot de chaotische, kartonnen realiteit van een installatie die als tekening verder gaat op de muren en die terugvalt op de schaal van een monumentale maquette.

In het verhinderen van de finaliteit van het chronotopisch procédé wordt de installatie opnieuw beeld in plaats van decor. Die constante wisselwerking tussen ontoegankelijk beeld en beleefbare illusie komt duidelijk naar voren uit het videowerk, dat vaak geïntegreerd in de installatie getoond wordt. De video’s zijn opnames van de installatie, vanuit een laag gezichtspunt, met een zenuwachtige en onstabiele cameravoering. Soms monteert Renneboog een camera op een treintje of een telegeleide speelgoedautotje dat ze dan door haar installaties laat rijden. De video’s tonen een gefragmenteerd en desoriënterend beeld van de installaties. Ze imiteren de uiterlijke kenmerken van de chronotopie (de beweging door een ruimte, die we automatisch als ‘een zoekend’ of als ‘een poging tot iets’ interpreteren), maar blijven in essentie richtingloos en chaotisch, zoals ook de installaties zelf geen middelpunt of focus hebben. Van het chronotopische procédé houdt ze enkel een kern van vage suggestie over.

Maar een suggestie waarvan? Hoewel ze voor de conceptie van een nieuw werk meestal vertrekt vanuit een heel concrete wens, is dit initiële gegeven niet prominent aanwezig in het uiteindelijke resultaat. Het suggestieve karakter van haar installatie prikkelt het associatievermogen van de toeschouwer. Haar parallelle werelden - werelden die soms ontstaan uit de vage wens om ergens anders te zijn, dus zeker niet in de zin van een droomwereld of een volwaardig Utopia - hebben een bedrieglijk speels karakter. Sommige installaties zijn gebouwd volgens een schijnbaar kinderlijk-naïeve, maar in wezen bijna romantische methode. Renneboog koketteert met de onmogelijkheid en ze formuleert de zaken met een moedwillig en hardnekkig gebrek aan realiteitszin. Tegelijkertijd wordt haar werk - ondanks de latente romantiek - gekenmerkt door een afstandelijkheid, een afwezigheid van het subject, zodat haar ruimtelijke voorstellen en displays binnentreden in een breder veld van ervaring met en reflectie over het suggestieve aspect van ruimtelijke en architecturale gegevens. Het is in die demarge dat de installaties hun volledige inhoudelijke draagkracht ontdubbelen. Ze lijken te anticiperen op de verbeelding van de toeschouwer terwijl ze in werkelijkheid verstrikt zitten in hun chaotisch spel met dimensies, met de wisselwerking tussen twee- en driedimensionaliteit, gecombineerd met een aangezet, maar nooit volledig gerealiseerd tijdsaspect, als factor van performativiteit.

1 LEWIS CARROLL, Alice’s Adventures in Wonderland and Through the Looking-Glass and What Alice Found There_, Oxford/New York, Oxford University Press, 1998, p. 126.