tekst

Don't call us, we'll call you (nl)

Xaveer De Geyter

In ‘Verkaveling Athletica’ (1) van 51N4E wordt de gebruikelijke gang van zaken bij verkavelingen - juxtapositie van gebreidelde fantasie - bijna helemaal geaccepteerd; alleen wordt de ‘pijpenkop’, de traditionele vorm van de ‘res publica’, bij deze woonvorm vervangen door een verschaalde en berijdbare atletiekpiste. De tegelijk praktische en surrealistische injectie ontreddert in één klap de knusse verkaveling, geeft er een gezicht aan en verandert drastisch de verhoudingen binnen de wijk: deze verkaveling is niet langer een optelsom van individuele entiteiten met een absoluut minimum aan gemeenschappelijkheid, maar eerst en vooral een manifeste publieke plek.
Een ander sleutelproject (2) van de groep is een paviljoen waar niemand om gevraagd heeft, maar dat toch voor massaproductie vatbaar is. Het is gebaseerd op het wettelijk uitgangspunt dat voor elk bouwsel kleiner dan 21m2 geen bouwaanvraag vereist is. De grootste variant is precies 21m2 en hoewel het een vaste vorm heeft die doet denken aan het Berlaymontgebouw, kan het ding aan allerlei situaties aangepast worden naargelang van de vraag van de opdrachtgever, sorry, de klant: veranda, vakantiehuis, megameubel, isoleercel, kantoor of minilounge. Het kan aangebouwd, opgehangen, ingekapseld of vrijstaand opgesteld worden, en het kan zowel een poëtische als een recht-voor-de-raapse gedaante aannemen.
De traditionele rol van de architect is niet aan de architecten van 51N4E besteed. Hun vakgenoten sluiten zich vaak zelfgenoegzaam af van de wereld in een cocon van esthetica. Ze hebben niets geleerd van de alomtegenwoordige commercie met haar marketingstrategieën. Ze gaan niet om met de werkelijkheid rondom hen. Ze creëren een wereldje ernaast dat liefst niet geaffecteerd wordt door de omringende alledaagsheid. En als de buitenwereld hen al interesseert, dan beschikken ze niet over het instrumentarium om die te assimileren. Tenslotte zijn ze puur op architectuur en bouwen gericht, ook in situaties waar dat bijkomstig is of helemaal niet hoeft.
Vanuit deze observaties werken de architecten van 51N4E.
Hun ‘oeuvre’ bestaat dan ook in de eerste plaats uit een reeks van allerhande vranke strategieën om met - niet echt controleerbare - realiteit om te gaan. Ze zijn meesters in het ontwijken van onontkoombare wetmatigheden; als dat niet lukt, zetten ze die wetmatigheden in voor eigen voordeel, ze slagen er overtuigend in om zekerheden weg te nemen, in andere gevallen reduceren ze de werkelijkheid gewoon. Tot hun instrumentarium behoren: upgrading, kopiëren, branding, restyling, transpositie, deleten, collage, benchmarking, concentratie, recyclage, transformatie, synthese, imagebuilding. En die strategieën worden met alle mogelijke marketinginstrumenten aan de man gebracht. 51N4E slaat je om de oren met leaflets, flyers, publiciteitskrantjes en bedrijfsideologieën.
Eén van de verrassende gevolgen van deze gerichtheid op strategieën in plaats van op projecten is dat in hun werk het onooglijke, de broodkruimel, op gelijke voet komt te staan met het grootschalige. Er is geen wezenlijk verschil in aanpak tussen de inrichting van een tentoonstelling en het maken van een stedenbouwkundig plan.
Zo wordt de herinrichting van een appartement (3) min of meer gereduceerd tot de opstelling van een compactusrek, een schuifsysteem van kasten dat in de regel gebruikt wordt om archieven maximaal nuttig in te richten. In dit geval lost het gevaarte ook alle bergbehoeften op, maar het wordt pal voor de ingang van het appartement opgesteld: in opengeschoven toestand fungeert het als kleedruimte en verspert het de toegang.
Ook de aanpak bij een inrichting van een woonboerderij (4) getuigt van dezelfde economie: de gesloten bebouwing krijgt een nieuw centrum in de vorm van een zwembad dat als een groot buitenmeubel op de binnenplaats geplaatst wordt. In één van de gebouwen worden allerlei bergingen en bijgebouwen op een no-nonsense manier gereorganiseerd zodat alle ontwerpwoede en raffinement op een totalitaire manier geconcentreerd kan worden in één kleinood: een Carrara marmeren keuken.
Hun scenario (5) voor de transformatie van een oude brouwerij in de Mechelse binnenstad tot cultuurfabriek impliceert het omploegen van het hele plaatselijke cultuurlandschap. De wisselwerking met de andere instellingen is essentieel en bepaalt de mogelijkheden binnen de brouwerij. Het project bestaat uit die onderlinge positiebepaling; het impliceert ook dat de stad in de brouwerij naar binnen wordt gehaald en de tentoonstellingen naar buiten worden gehaald. En om dat te realiseren heb je niet noodzakelijk architectuur nodig.
Nog een andere vorm van herwerken van alledaagsheid bestaat in het recycleren van gebouwconcepten in een nieuwe context. Voor een wedstrijd voor een ‘sociale’ verkaveling (6) worden enkele oude bouwtypologieën uit de kast gehaald die elk een specifieke verhouding tot het landschap impliceren: de vierkanthoeve, de crescent, de villa Palladiana en de ranch. De vier worden samengebracht in een non-compositie en het resultaat is een grote open vrijplaats binnen de zee van omliggende verkavelingen. Ook hier is het opzet een regelrechte aanval op het benepen individualisme alom.
In Esch-sur-Alzette - of all places - wordt binnen een bouwblok een verzameling privétuintjes, die al de neiging naar gemeenschappelijk gebruik vertoonden, omgesmeed tot een heus park (7). Maar de vorm van het park wordt eigenlijk al gegeven door de bestaande kavelstructuur. Vooral de variëteit aan gebruiken en inrichtingen wordt opgedreven en de contrasten worden verhoogd. De ruimtelijke referentie voor het project is het gemiddeld tuincenter, waar je gewoon van het ene item in het andere tuimelt.
Het werk van 51N4E is tegelijk radicaal en aandoenlijk. Het slaat en zalft. Het is empathisch en contactgestoord. Het ondermijnt hier, het bevestigt daar. Het choqueert de werkelijkheid en het verdwijnt erin.