tekst

Eet nooit je eigen kinderen op

(en natuurlijk ook je ouders niet)!

Francis Smets Netwerk Gallerij Handleiding 00-01

Het denken van de 19de eeuw stond in het teken van een concept waarin het alle werkelijkheid en heel de geschiedenis meende te kunnen onderbrengen: de dialectiek. Vandaag is de glorie van dit eens zo stralende wijsgerige begrip op zijn minst erg verbleekt. Het kan nog nagenoeg uitsluitend rekenen op de belangstelling van de antiquairs van de filosofie. Als proef op de som volstaat het te verwijzen naar de twee meest illustere vertegenwoordigers van het dialectische denken in de 19de eeuw. Van Hegel houden heel wat ideeën stand (de meester-slaafverhouding bijvoorbeeld die in de 20ste eeuw gerevitaliseerd werd), behalve de dialectiek. De dialectische ontwikkeling van de geschiedenis, met de kunst in één van de hoofdrollen: geen mens zou het nog wagen dit stramien als verklaringsmodel te hanteren. Idem dito voor Marx. Wacht dit droeve lot juist deze concepten die eens een haast onbeperkt verklaringspotentieel leken te bezitten? Dat moet ons tot voorzichtigheid aanmanen.
Ook de 20ste eeuw (en voorlopig ook nog de 21ste) heeft zulk concept, dat dezelfde machtige allure heeft aangenomen als de dialectiek in de 19de eeuw: het Verschil. Differentie, Verschil geeft zijn overheersende kleur aan heel het denken van de nieuwste tijd. Het zou natuurlijk nóg inconsequenter zijn om precies aan het Verschil een onvergankelijke en onveranderlijke eeuwigheidswaarde toe te kennen…
Zelfs (of zeker) een niet-kennersblik, die achteloos dwaalt over het huidige kunstaanbod, stelt probleemloos vast uit welke hoek de wind waait: alles draait om verschillen. Het concept van het Verschil staat met andere woorden ook centraal in de huidige kunst, die zich derhalve netjes conformeert aan het denken van haar tijd. Beide volgen dezelfde (geen verschillende) rode draad. De verbijzondering van de kunst, het zich terugtrekken uit algemeen geldende esthetische principes, werd een goede honderd jaar geleden ingezet. Ze heeft thans haar hoogtepunt bereikt en kan wat dat betreft niet meer verder. Eertijds waren alle kunstwerken, als goede beleggers, nog regelmatig aanwezig op de algemene aandeelhoudersvergadering: ze hadden een aandeel in hetzelfde, namelijk één of enkele algemene beginselen, waarover eensgezindheid bestond. Misschien was het zelfs honderd jaar geleden nog mogelijk tussen bijvoorbeeld Monet, Pissarro en Degas concrete overeenkomsten te zien, dat wil zeggen met het blote oog waar te nemen, zonder er "intellectueel" doorheen te moeten kijken. Thans lijkt ieder werk zijn eigen privé-esthetiek mee te brengen. De toeschouwer moet de termen, waarin hij zulk werk wil benaderen, alsmaar opnieuw bedenken. Hij moet op ieder ogenblik de kunst heruitvinden, alsof de originele geste waarmee kunst voor het eerst gesticht werd (Lascaux en zo…), telkens overgedaan moet worden. Er wordt hem geen wettelijke rustdag gegund.Voor ieder werk moet zwoegend naar het algemene gezocht worden: "Hoe, wat moet ik hierover denken?" is de steeds weerkerende vraag. En dit eenmaal gevonden algemene blijft hoe dan ook beperkt tot dat ene werk, waarop het van toepassing is. Het ontkent zichzelf weer onmiddellijk. Het is niet transferabel van het voorgaande op het volgende.
Dit heeft onmiskenbare voordelen. Er kunnen zich vooreerst geen dogma’s meer vormen, geen enkele norm kan tyrannieke trekjes aannemen, kortom alle totalitaire pretenties zijn gefnuikt. Verder sluit dit gemakzucht uit. De toeschouwer moet voortdurend waakzaam, alert zijn, want eigenlijk doet híj het werk. We worden voor onze verantwoordelijkheid geplaatst. Dat maakt ons allen vinding-rijk, dus: iedereen rijk.
Deze rooskleurige situatie heeft slechts één onverwacht en paradoxaal nadeel: hoe meer verschillen, hoe meer het Verschil zélf totalitaire neigingen begint te vertonen.
Ferdinand de Saussure had zeker geen idee van wat hij allemaal zou teweegbrengen, toen hij in 1916 in zijn Cours de linguistique générale wees op het belang van de différence in de taal. Betekenis komt niet zozeer tot stand doordat er een vaste relatie is tussen een klankbeeld en een mentaal beeld, maar doordat er een onzekere relatie is tussen alle betekenissen. Het zijn de onderlinge verschillen die betekeniswaarde geven. Derrida trok uit dit inzicht een halve eeuw later de onontkoombare, radicale, maar correcte conclusie: dus bestaat betekenis eigenlijk niet! Iedere betekenis is maar "zichzelf" door haar verwijzing naar andere betekenissen waarmee ze een betrekking van verschil onderhoudt, en dus is ze nooit zichzelf, ze heeft geen eigenlijke identiteit. Een geactualiseerde, aanwezige betekenis heeft afwezige betekenissen nodig, die onmisbaar zijn om haar eigen betekenis tot stand te brengen. Maar die afwezige betekenissen verwijzen zelf naar andere betekenissen, die op hun beurt weer andere betekenissen oproepen, enzoverder tot in het oneindige. Dit verwijzingsspel van verschillen komt nooit tot stilstand. Betekenis blijft ontsnappen en is in die zin eerder afwezig dan aanwezig. Ze is nooit definitief, maar altijd onbeslist. Betekenis is nomadisch. Ze is op de dool, maar ook doelloos. Ze blijft altijd zwerven, aangezien ze geen reisdoel meer heeft.
Het heeft dan geen zin meer te zoeken naar wat er niet is: zin, betekenis. De zinsvragen: wie ben ik?, wat is de wereld?, wie ben ik in de wereld?, wat is mijn er-zijn in het Andere Zijn? lossen op en verdwijnen, zogezegd. Het tijdperk van de metafysica is afgesloten. We zijn ontvoogd.
De kunst speelt een niet onbelangrijke rol in dit ontvoogdingsproces, door enthousiast te participeren aan het differentie-spel. Actuele kunstwerken doen door hun open betekenis zeer expliciet een beroep op onze interpretatie, uitdrukkelijker dan oudere kunstwerken. Zonder onze interpretatie bestaan ze eenvoudigweg niet, dan is er alleen openheid (boosaardige tongen zeggen: "Er is alleen leegte", maar laat ons het bij het neutralere "openheid" houden, dat weliswaar verwant is met "leegte". Toch zegt die moedwillige substitutie wel iets. Geen mens zou eraan denken een ouder schilderij "leeg" te noemen, daarvoor is het trouwens meestal te vol. De mogelijke aanklacht van leegte bevestigt dus al minstens de uitdrukkelijke openheid van het actuele kunstwerk. Opgepast: het oudere kunstwerk is daarom niet minder open, het is alleen minder uitdrukkelijk open).
We kunnen naar hartelust spelen met de "betekenissen" van deze actuele kunstwerken. Ze leggen ons geen enkele beperking op. We krijgen enkele brokstukken van betekenis. Een eenduidige eindterm dringt zich uit deze fragmenten niet op. De eventuele samenhang hiertussen is ons probleem. Eén werk laat dan ook een oneindig aantal verschillende interpretaties, verschillende betekenissen toe. Een oneindig aantal betekenissen wil in feite zeggen dat er geen-één, geen is. Ze zijn allemaal even legitiem. De ene heeft niet meer recht om legitimiteit op te eisen dan de andere.
Wat moeten we hieruit besluiten? De vraag naar de "eigenlijke" betekenis van het werk (of noem het de essentiële betekenis, de enige ware identiteit) valt weg en wordt een vraag waar we moeten leren afstand van te doen. Het wordt een misplaatste, verboden, haast criminele vraag vandaag. Het is vooral onterecht dat we ons afvragen: wat heeft de kunstenaar nu eigenlijk willen zeggen. Er is geen "eigenlijk" en dus krijg ik (in de zin van: ieder van ons) de volle verantwoordelijkheid voor mijn interpretatie. Er is misschien maar één voorwaarde: ik moet hoffelijk blijven, ook al klinkt dat woord van George Steiner wat ouderwets. Of, zoals Umberto Eco het formuleert, maar dat is min of meer hetzelfde als hoffelijkheid, er is een intentio operis, een bedoeling van het werk, die een grens stelt aan de willekeur: ik mag me niet te veel vrijpostigheden veroorloven.
De houding van Eco spreekt trouwens boekdelen. Eco was met zijn Opera aperta één van de eersten om zijn naam te verbinden aan die hele beweging van open interpretatie. Maar hij schrikt thans zelf van wat hij heeft veroorzaakt, wanneer hij de beoefenaars van de zogenaamde "ongelimiteerde semiosis" aan het werk ziet, vooral wanneer ze als ware roofdieren neerstrijken op het ideale jachtgebied voor interpretatie dat Ulysses van James Joyce vormt. We zien hem wat terugkrabbelen en regelmatig zeggen: zo heb ik het nu ook weer niet bedoeld, dit loopt uit de hand. De zogenaamde "ongelimiteerde semiosis" moet dringend opnieuw gekanaliseerd worden, we verzuipen in de openheid. Vandaar bijvoorbeeld de invoering van het begrip van de intentio operis, de bedoeling van het werk, overigens zeer duidelijk onderscheiden van de intentio auctoris, de bedoeling van de maker. Het één valt zeker niet samen met het ander.
De vraag naar de bedoeling van de maker is niet alleen illegitiem, ze kán zelfs niet meer gesteld worden. Hij bestaat immers niet meer. De afgelopen eeuw vallen er nogal wat sterfgevallen te noteren (niet noodzakelijk te betreuren) in de familie van de westerse cultuur: de dood van God (Nietzsche), de dood van de mens (Foucault), de dood van de auteur (Barthes). De auteur is afgevoerd, opgegeten door zijn eigen kinderen, de lezers. Over de doden niets dan goed, zolang ze ons maar met rust laten. De kunstenaar is overboord gegooid. De toeschouwer heeft het na deze muiterij voor het zeggen of heeft toch zeker het overwicht over de maker. Zoals Todorov het in alle ernst zegt: het kunstwerk is een picknick, de kunstenaar brengt de ingrediënten mee, maar de toeschouwer brengt de betekenis mee.
Er blijft dus alleen een oneindig, ontembaar, onbedwingbaar veelvoud aan verschillen. Het kunstwerk is een demonstratie van ontelbare verschillen, in een spel dat nooit tot stilstand mag komen, geen eindpunt en geen oorsprong kent, alleen een oneindige verspreiding in alle richtingen. Het ontplooit, het ontdubbelt, het waaiert uit. Het is speels, dartel, lichtvoetig. Het beeld van de ideale zwerver, nergens vandaan, nergens naartoe. Nomadisch… en hier zien we de duidelijke overeenkomsten tussen de actuele kunst en de huidige filosofie. Ze zitten op hetzelfde spoor: betekenis is een spoor, en dus ook een (hersen)schim, geen wezen van vlees en bloed. Ze is niet echt. We menen alleen dat we ze op het spoor zijn.
Actuele kunstwerken zijn nog op een andere wijze "verschillend". Er zijn geen esthetische categorieën, principes, normen, definities, die aan zulke open, gedifferentieerde werken voorafgaan en die ze gemeenschappelijk hebben met andere kunstwerken. Het spreken erover sputtert, omdat het niet mogelijk is ze onder te brengen onder het meer universele, laat staan onder het universales "kunst". En dat is een andere vorm van Verschil. Deze kunstwerken delen niets meer met elkaar, hebben geen gemeenschappelijke noemer meer, geen solidariteit. Ze hebben geen band met elkaar, behalve hun… verschil. Ze bestaan bij de gratie van hun verschil. Er zijn slechts verschillen. Deze werken zijn autonoom, eigenstandig, op zichzelf, maar ook eenzaam. Ze zijn dus niet zozeer ironisch, hoewel ze dat vaak beweren te zijn, maar veeleer tragisch. Een beeld van wie we heden ten dage zijn: achtergelaten, zonder verhaal, zonder betekenis, in een tijd waar de grote ankerpunten – God, mens, wereld – opgeheven zijn.
We hebben heel zeker het recht om aan ieder actueel kunstwerk de volgende vraag te stellen, die afkomstig is van Wittgenstein en zelfs zijn hele filosofie beheerst. En vermits de actuele kunst zich graag legitimeert aan de hand van het denken van Wittgenstein en graag zwaait met de Tractatus (een beetje zoals we in de zestiger jaren in China iedereen obligaat zagen zwaaien met het rode boekje van Mao), doen we niets verkeerds met ze hieraan te toetsen. Scherpen deze werken ons gevoel, onze zin, onze aandacht voor het onzegbare aan, onze aandacht voor alles wat Wittgenstein onderbrengt onder de noemer van "das Mystische", dat hij tot elke prijs wil behoeden? Zijn de betreffende kunstwerken echt opgewassen tegen de confrontatie met deze vraag? Anders gezegd: volstaat het zich als verschil te profileren?
Nog meer vragen sluipen onverhoeds binnen.
Daar is het kunstwerk, hier is mijn interpretatie. Er is geen enkele garantie dat er enige aansluiting is tussen beide gescheiden entiteiten. De waarborg is verbeurdverklaard door het denken van het Verschil, hij was ook voorbij zijn vervaldatum. Er was trouwens nooit een garantiebewijs. Beide partijen deden maar alsof. Maar wat, als ik met mijn interpretatie het werk voorbijloop? Als ik in het toekennen of ontdekken van betekenis veel verder ga dan het werk? Is die betekenis dan nog enigszins van het werk afkomstig of is ze uitsluitend aan mij te danken? Is het werk in dat laatste geval nog wel nodig? Anders gezegd, wat als de kunstenaar slechts limonade meebrengt naar de picknick en ik maak er op wondere wijze champagne van?
Zelfs áls de interpretatie volledig van mij afkomstig is, wat waarschijnlijk meer dan eens zo is, legt het kunstwerk een interessant aspect bloot: de menselijke drift naar betekenis, die niet ophoudt aan de oppervlakte, maar gedreven wordt naar of over de uiterste grens van het begrijpen. Het kunstwerk houdt eventueel lang vóór deze grens halt (zoals het hoort binnen een strategie die ingekleurd is door Wittgenstein of Derrida), maar ik (in de zin van elke willekeurige interpretant) níet (en dat past tot op zekere hoogte ook nog binnen de filosofie van Wittgenstein). Het is toch wel merkwaardig. Het volstaat twee gewone objecten op een ongewone manier bij elkaar te plaatsen en terstond raakt de geest driftig op gang om naar betekenis te zoeken in het betekenisloze. Het is zo’n beetje als een boiler die altijd op waakvlam staat: één kraan opendraaien is voldoende om die boiler meteen wild tekeer te doen gaan. Ik word scherp geconfronteerd met mezelf, met mijn menselijke identiteit, met iets essentieel menselijks: mijn drift naar betekenis. Mijn ontmoeting met de wereld is schokkend en in eerste instantie (en ongetwijfeld ook nog in laatste instantie) een ervaring van zinloosheid. Daarom is die ontmoeting zingeving, beter gezegd: een wanhoopspoging om zin te geven.
Mag dit laatste overgedragen worden op de kunst? Is het kunstwerk in wezen een wanhoopspoging om zin te geven? Is er in dat geval toch een essentie, een identiteit, een continuïteit van de kunst? Meer dus dan Verschil?
Deze drift naar de betekenis kan ook de metafysische drift genoemd worden. En het is inderdaad zeer de vraag of die ooit kan uitdoven, zoals het verabsoluteren van het Verschil lijkt te willen beweren. Onder metafysica kan dan verstaan worden: de vraag naar de werkelijkheid als geheel, naar de plaats van de mens in dat geheel en naar de zin van het menselijke bestaan (naar Collingwood).
Met Kant is in onze cultuur een project van metafysicakritiek geïnitieerd, dat heden ten dage werd voortgezet door onder anderen Wittgenstein en tenslotte door Derrida.
In zijn kritiek van de traditionele metafysica viseert Kant echter geenszins de metafysische interesse als dusdanig. Integendeel. Heel het kritische oeuvre van Kant is één koortsachtige zoektocht naar een adequaat vertoog voor de kwestie van de ultieme vragen van de mens. Metafysische vragen maken deel uit van de menselijke natuur, ze zijn een Naturanlage. Ze spruiten voort uit een niet te stillen behoefte, Bedürfnis. "Keiner kann sich der metafysischen Fragen entschlagen." Het is even onwaarschijnlijk als op te houden met ademen, zegt hij.
Bij Wittgenstein vinden we iets gelijkaardigs. Hij legt het er vooral op aan het niet-kenbare (das Mystische, waaronder de religie en de kunst vallen) tot zijn recht te laten komen, door het te bevrijden van het kenbare. Door het domein van het bespreekbare strikt af te bakenen, schept hij ruimte voor het domein van de zingeving (das Mystische) en zet hij dit in de verf (de schilder doet dit bij wijze van spreken letterlijk). Wittgensteins ambitie verschilt niet zo erg van die van Kant. Hij wil evenzeer das Mystische veilig stellen, wat meteen laat verstaan dat het in onze tijd nodig is het in bescherming te nemen. Allicht moet het verdedigd worden tegen de krachten van het positivisme. Volgens het positivisme is datgene waarover we kunnen spreken, het enige dat telt in het leven. Wittgenstein daarentegen is er heilig van overtuigd dat het enige wat belangrijk is in het leven, datgene is waar we niet over kunnen spreken. Ik weet het wel: in de Tractatus staat ook de beroemde uitspraak 6.521 (voor de kenners) dat het probleem van de zin van het leven vanzelf zal verdwijnen samen met de behoefte om de vraag te stellen (hoezo, kan die behoefte dan toch spelenderwijs verdwijnen?). Het is een vraag die verdwijnt in die zin dat men ze niet kan stellen. Meer precies kan men ze niet stellen alsof er iets in de wereld is dat eraan beantwoordt, zo men wil: er een antwoord op geeft. Dan blijft het juist tragisch dat men als mens in de wereld komt met een onvervreemdbare vraag naar de zin hiervan, terwijl terzelfdertijd in die wereld zelf niets aanwezig is dat hierop een antwoord aanreikt. Precies in die hiaat of afgrond zijn misschien zulke wanhoopspogingen als de kunst of andere uitingen van das Mystische verschenen en vinden ze sedert altijd al hun oorsprong. De gedeelde oorsprong: datgene wat voorbij het Verschil ligt.
Het is tevens datgene wat mogelijk maakt dat we ons vandaag, anno 2000, nog steeds kunnen afvragen wat de betekenis is van bijvoorbeeld de grotschilderingen van Lascaux (-15000). Eerst en vooral blijft dit allereerste gebaar van kunst een ongelofelijk moedige geste tegenover een zinledig of toch ten minste onbegrijpelijk universum. Het dwingt te veel respect af om het alleen maar af te doen als Verschil en verder niets. We willen nog steeds het waarom van dit eerste kunstgebaar achterhalen, ook al weten we dat we daar nooit in zullen slagen en al beseffen we dat achter deze vraag in feite een verholen zoeken schuilt naar de verboden intentio auctoris. We overtreden dus toch wetens en willens de wetten van het Verschil, omdat we het niet kunnen laten en omdat we vermoeden dat er nog iets meer is.
Zou het trouwens geen troostende gedachte zijn dat we in sommige hedendaagse kunstuitingen nog steeds de Cro-Magnonmens, die deze grotten heeft beschilderd, kunnen ontmoeten en hem de hand reiken? Ze dialogeren wel degelijk met elkaar over vijftienduizend jaar heen en dus moeten ze iets gemeenschappelijks delen. Ze spreken vanuit hetzelfde geheim. Ze putten uit dezelfde oorspronkelijke wanhoop de moed om over het menszijn, de wereld, het Onbekende te vertellen, te schilderen, te beeldhouwen. Ze spreken de Andere aan vanuit dezelfde eerste verlatenheid. Dat is drie keer achter mekaar hetzelfde verboden woord: dezelfde/hetzelfde. Identiteit, eenheid en continuïteit blijven dus blijkbaar nog altijd een uitdaging vormen aan het denken van het Verschil. Wordt met andere woorden heden ten dage niet al te vlug het laatste woord toegekend aan het Verschil? Mag af en toe de vraag naar eenheid en continuïteit nog eens heel schuchter de kop opsteken?
Het differentiedenken is zonder twijfel een buitengewoon weldadige en gezond makende kuur. De openheid die het heeft verwekt, wil denkelijk niemand meer missen. Het standpunt van het Verschil wijst er terecht op dat het eenheidsdenken van de westerse metafysica, door waarheid één te noemen, altijd een totalitaire karaktertrek verbergt. Het Verschil heeft ons bevrijd van het hardnekkigste vooroordeel van het westerse denken, het geloof in het bestaan van dé waarheid. Maar het slaagt er niet in korte metten te maken met zijn eigen vooroordeel. Vandaag geldt nog slechts één waarheid: waarheid is niet één. Veelheid, veelduidigheid, verschil, disseminatie, discontinuïteit, onbeslistheid, openheid delen de lakens uit. Nogmaals, het zijn mooie ideeën, tot ze zelf de wet beginnen te stellen. Het Verschil oefent opnieuw een absolute macht uit over betekenis en waarheid. Het oudste spook van het westerse denken duikt tot onze verbazing weer op, precies in een geestesrichting die zich hiervan wou bevrijden. Zoals gewoonlijk zijn niet zozeer de stichters hiervoor verantwoordelijk, maar eerder de aanhangers.
Het denken van het Verschil is, net als de taalanalytische filosofie, allergisch voor een woordgebruik waarin eenheid, identiteit, essentie en continuïteit voorkomen en heeft er een embargo op ingesteld. Het bepaalt vandaag nu eenmaal wat de orthodoxie is. En als er een orthodoxie is, is het ook levensnoodzakelijk dat er een heterodoxie bestaat. Het denken van het Verschil pleit toch ook altijd voor heterogeniteit? Het vormt dus zelf de voedingsbodem voor zijn eigen heterodoxie, het brengt zijn eigen ketters voort. Als het consequent is, eet het nu zijn zelfverwekte kinderen niet op.