tekst

Architecturen door derde

Peter Swinnen Netwerk Galerij Handleiding 98-00

Uitweiding vooraf
Architectuur en beeldende kunst lijken mekaar steeds slechter te verdragen, beginnen steeds minder op mekaar te lijken. Gedurende de Oudheid, Grieks-Romeinse Tijd alsook de Middeleeuwen werd het soortelijk onderscheid tussen de schone kunsten en de techniek (architectuur?) hoegenaamd niet gemaakt. Enkel de Meester werd gewaardeerd. Architectuur en beeldende kunst ontmoetten mekaar in een symbiose van functionaliteit en symbolisme. Het ene was ondenkbaar zonder het andere. Met het Gesamtkunstwerk van rond de eeuwwisseling en de International Style (het wereldwijd samensmelten van wetenschap en kunst) werd de synthetische intentie om kunst en architectuur gelijk te schakelen, nog eens dunnetjes overgedaan. Het waren de laatste stuiptrekkingen, krampachtige simulaties van een homogeniseerbaar wereldbeeld. Vandaag kunnen beeldende kunst en architectuur nog hooguit bij mekaar gaan shoppen. Beeldende kunst en architectuur zijn totaal van mekaar vervreemd, exploiteren elkaar wederzijds. De beeldende kunstenaar integreert/bewerkt architectuur als iets exotisch, iets spannends van buitenaf. Architectuur is voor de kunstenaar pas werkbaar wanneer ze ontdaan wordt van haar dogmatisch, gestandardiseerd, functioneel karakter. Voorbeelden hieromtrent zijn legio: Dan Graham, Gordon Matta-Clarck, Atelier van Lieshout,… Terwijl de kunstenaar 'werkt' met architectuur, werft de architect de kunstenaar aan, hij gaat er een partnerschap mee aan. Dit zijn twee totaal verschillende (ver)houdingen. Het Zwitserse architectenduo Herzog & deMeuron bijvoorbeeld werkten voor de Eberswalde Library samen met Thomas Ruff. Deze ontwierp het patroon voor een silkscreen print die op de betonnen bibliotheekfaçade als een soort behangpapier zou worden aangebracht. Mede door het uitgesproken functionele karakter van de bibliotheek prevaleert uiteindelijk de architectuur, ook al omzoomt Ruffs print het volledige gebouw. In combinatie met 'echte' (lees: functionele) architectuur krijgt beeldende kunst iets kleinschaligs, tweederangs over zich. Het wordt geïntegreerde kunst, een wondermiddel om architectuur betekenis te verschaffen. Het Graaf de Ferrarisgebouw en het Consciencegebouw van de Vlaamse Gemeenschap zijn hier treffende voorbeelden van. De kunst onderzoekt architectuur (blaast ze op) terwijl architectuur de kunst marketingsgewijs exploiteert. Dit al of niet ideologisch wederzijds shoppen is een nieuwe hedendaagse verhouding tussen de twee disciplines. Een verhouding die in se allesbehalve problematisch hoeft te zijn.

Katleen Vermeir, november - december 1999 / ambulante architectuur
Sinds 1998 vertoont het werk van Katleen Vermeir (°1973) een verhoogde interesse voor architectuur. Bewijs hiervan zijn de titels van enkele recente werken en installaties (Ambulante architectuur, Liquide architectuur, Genius loci) alsook het effectief 'architecturaal' ingrijpen in bestaande non-architecturale contexten. Katleen Vermeirs gebruik van het begrip 'architectuur' dient eerder richtinggevend dan wel determinerend geïnterpreteerd te worden. Ook bij Katleen Vermeir wordt architectuur ontdaan van haar dogmatisch functionalisme: het functionele wordt verwerkt tot een icoon, een herinterpreteerbaar beeld. Vermeirs architecturale interesse kan getraceerd worden vanuit haar immense fascinatie voor beweging en het neerschrijven ervan. Tot haar vroeger werk behoren ontelbare 'Seismografische postkaarten' (tijdens busreizen in China opgetekende landschapsregistraties waarbij haar passieve hand geleid werd door de hobbelige routes), 'Movements in space' (parcoursstudies van mensen in tentoonstellingsruimtes, danslokalen, scholen, bouwwerven) alsook registraties van haar eigen looppatronen (N.Y.,N.Y., Huis met tuin, Adjacent rooms). Met haar tekeningen van bewegingen slaagt Katleen Vermeir erin om een specifieke ruimtelijke context op een uiterst directe en tactiele manier weer te geven zonder hiervan een letterlijk beeld te hoeven schetsen. Bewegings(in)capaciteit, onderlinge afstanden en topografie dimensioneren haar ruimtebeeld.

1/1 Het werk 'Watertekening', een zwart-witvideo zonder geluid uit 1999, kan misschien wel beschouwd worden als een scharnierwerk. 'Watertekening' is net als bij vorig werk een registratie van haar eigen looppatronen. Alleen loopt ze dit keer niet door een reële ruimte, maar beschrijft ze met haar looplijnen een ruimte vanuit haar herinnering. Op een open plein zonder context tekent Katleen Vermeir met kwast en water het plan van een kamer. Ze heeft de kamer nooit zelf bewoond, laat staan gezien. Iemand heeft haar mondeling beschreven wat waar in de kamer staat alsook de onderlinge afstanden uitgedrukt in subjectieve voetstappen. Op haar beurt traceert Katleen Vermeir nu stap voor stap de kamer vanuit haar geheugen, op een hoogst persoonlijke schaal van 1/1. Het schokken van haar voetstappen ritmeert de lijnvoering en dimensioneert een nieuwe ruimte alsook de objecten in de kamer. Het plein baadt in de zon. Het zonlicht bezorgt de lijnen een wit, spiegelend karakter doch de warmte doet de tekening niet lang nadat ze aangebracht werd, weer verdwijnen. In een niet aflatende Sisyfusarbeid wordt het plan keer op keer overschilderd. De watersporen resulteren in een hypertijdelijke medusering die de oorspronkelijke muren en meubels steeds verder abstraheert. Telkens opnieuw wordt elk onderdeel benoemd en getekend, maar een totaalbeeld - een architectuur - blijft uit. De initiële hypermnesie lijkt in de act van het overschilderen te verworden tot een onvermijdelijke amnesie. Het verdampend water versterkt dit enkel. Wat te doen met ruimtelijke herinneringen? Zijn ze overtollig?

1D vs 3D Ook wanneer Katleen Vermeir 3D-installaties maakt, blijft ze tekenen, niet met pen of borstel, maar met onaangepaste materialen. Met 'Ambulante architectuur' in Netwerk Galerij ondernam ze voor het eerst in haar oeuvre een artificiële excavatie. Artificieel omdat er eigenlijk niets spectaculairs op te graven of weg te schrapen was. Galerij Netwerk was in een ver verleden een aaneenschakeling van arbeiderswoningen. Met behulp van zwart garen, elastieken en metalen staafjes (voor de lateien van de deuropeningen) 'tekent' ze in een nieuwe synthese de oude planopbouw, de huidige structuur en de niet-gerealiseerde ontwerpplannen voor de galerij. Diagonale trappartijen, niet-dragende muren, deuropeningen verworden tot garen contouren waar men vrijelijk doorheen kan stappen. Ook hier wordt de registratie van de beweging geëxtremiseerd: het lopen doorheen muren, objecten. Het samenkomen van verleden, heden en toekomst heeft iets labyrintisch: het is ingewikkeld, ondefinieerbaar, heeft geen duidelijk doel, maar maakt ruimte vrij. Katleen Vermeir treedt hier op als architect, als derde - een buitenstaander - die onintentionele en vreemde combinaties voor lief neemt en ze letterlijk vorm geeft. Het gebruik van de 'vreemde' bouwmaterialen doet elk schijnbaar tekort en elke vorm van wanverhouding oplossen. De gemiste en reële context komen samen in een gesublimeerde 'supercontext', een opeenvolging van afunctionele momenten zodanig (on)gestructureerd dat de ruimte een verhoogde hoeveelheid aan toeval aankan. Een architectuur resulterend uit een onmogelijkheid in tijd. Een architectuur die elke vorm van aplomb resoluut ondermijnt.

2,5D 'Watertekening' is een tweedimensionaal werk dat manifest elke vorm van extrusie ontbeert. Met 'Liquide architectuur', eveneens een zwart-witvideo zonder geluid uit 1999, wordt de derde dimensie (hoogte, Z-as) geïncorporeerd, zij het nagebootst. Wederom op een contextloze buitenplaats wordt de herinnering aan een (Chinees) interieur met bed en tafel in een trompe-l'oeuil-perspectief geschilderd met water. Enkel vanuit het standpunt van de statische camera kloppen het perspectief en verhoudingsschema. Architectuur is geen ruimte, maar een tekening. De schaal en lokatie van het project maken haar persoonlijke herinnering tot een gemeenschapsobject. Op het eerste gezicht misschien onbegrijpbaar voor de occasionele passant, maar desalniettemin gemeenschappelijk. Interieur en exterieur worden als regulerende ruimtebegrippen definitief verlaten. Door haar herinnering aan de kamer op het plein te schilderen, verliest de intieme interieurruimte haar vanzelfsprekendheid en de externe ruimte haar leegte. De volledige shot wordt gevuld met interieur. Net als bij 'Watertekening' zorgt het iteratieve overschilderen van de verdampte contouren voor een subtiel eadem set aliter, hetzelfde maar anders.