tekst

The genius of an artist lies in his scribblings.

(J. Joyce, Finnegan's Wake)

Hilde Vanfleteren

Toegepast op het werk van Jean Bernard Koeman betekent dit citaat dat zijn tekeningen zoveel zijn als de kronieken van zijn kunstenaarsziel. Ze ontstaan als een persoonlijke geschiedschrijving, als dagboeknotities met daarin de neerslag van reizen en van gedachten. Hier materialiseren zich de gedachten in figuratieve en decoratieve elementen, in namen en toponiemen, data en tijdsaanduidingen, en later in woorden en zinnen. De tekeningen vertalen een verhaal dat niet in woorden alleen te vatten is.
De aard van de tekeningen is drieërlei: ze bestaan als zelfstandige tekeningen, als voorbereiding van driedimensionaal werk en als uiting van de kunstenaarsziel. Op de vroegste tekeningen fungeren de plaatsnamen en de tijdsaanduidingen als kleur: ze roepen bij iedereen andere associaties op. Nadien zijn de plaatsnamen en de data vervangen door woorden: taal als beeld.
De relatie tussen woordtaal en vormentaal is associatief en complementair. Beide spelen een hoofdrol. Waarnemingen en indrukken worden gevoed door persoonlijke reflecties en geven aanleiding tot woordspelingen, betekenisverschuivingen en neologismen. De lectuur van de tekeningen is een beetje verwant aan die van een rebus, maar dan zonder diens lineaire verloop en appellerend aan de empathie van de toeschouwer.
De uitspraken die voorkomen in de tekeningen, keren terug in het gedachtegoed van de driedimensionale werken.
Inspelend op de omgeving zijn ze de instrumenten bij de klank in het hoofd van de kunstenaar. Ze belichamen wat hij zelf Genuine Fiction noemt: het verhaal, ontleend aan de werkelijkheid; of ook: gematerialiseerde hersenspinsels, constructies die gedurende een tijd sluimerend aanwezig zijn in de geest van de kunstenaar en dan - als de tijd rijp is en de omstandigheden gunstig - concreet gemaakt worden in drie dimensies. Door materiaalgebruik en bijhorende taalelementen weet Koeman zijn verhaal, zijn Genuine Fiction, op een gecondenseerde manier over te brengen. Kunst en leven zijn verweven zoals dat ook het geval is bij Jef Geys, maar op een mildere en persoonlijkere, meer zelfrelativerende manier. Het gebruik van taal herinnert aan de manier waarop Broodthaers taal gebruikt: haar op het brood, de schimmel van de gedachte die zich ent op de visuele prikkels.
Koeman zoekt in de realiteit nieuwe noch ongewone vormen. Hij leent precies die vormen en ook materialen waaraan we dagelijks voorbijgaan: de industriële, praktische en nuttige. Met deze materialen en voorwerpen behandelt hij uiteenlopende thema's; hier echter zullen we ons beperken tot de bespreking van een aantal werken.
In een aantal werken plaatst Koeman zijn uitspraken op aankondigingsborden die doen denken aan het model dat hier en daar nog op de gevels van kleinsteedse bioscopen gebruikt worden, met van die ongelijke spaties tussen de letters. De aard van de uitspraken is te omschrijven als een pertinente gedachteflits, gestolen uit een gedachtestroom. De kortstondigheid wordt bijkomend benadrukt door de onbepaalde of onmogelijke tijdsaanduidingen en data.
De driedimensionale werken bezitten een ruimtelijkheid die verwant is aan die van de architectuur. Ze kunnen letterlijk een architecturale vorm aannemen als behuizing van wat hij wil zeggen. Deze constructies zijn doorgaans gemaakt van hout of metaal. Ze plaatsen zichzelf als volume in de ruimte en omsluiten terzelfder tijd een binnenruimte waarin zich al dan niet iets afspeelt. De behuizing vormt een corpus, een lichaam als drager van een tekstpaneel (in de vorm van de eerder beschreven aankondigingsborden) of houder van voorwerpen. Ze kan ook een uitkijkpost of een inkijk bieden om aldus de toeschouwer een leidraad te geven bij de interpretatie van de aangebrachte tekst
Een aantal werken staat duidelijk in een onderling verband. Hun relatie met de plek waar ze opgesteld zijn, inspireert Koeman tot accentverschuivingen, waardoor ze telkens een episode vertellen van een verhaal met dezelfde protagonist.
Ik denk hierbij aan drie werken: Dead Man's Curve (Arena), De gure hoogvlakte van het discours (Colosseum) en Insecuriosity (barre-chocque pour un espace d'art).
Alle drie vertrekken ze van vangrails, die schier eindeloze zijdelingse afbakeningen van autowegen. Hun typisch gegolfd profiel is een twintigste-eeuws archetypisch beeld geworden dat we vluchtig associëren met veiligheid. Ze bieden echter een bedrieglijke bescherming. Ze schermen de razende stromen af van de bewoonde wereld, kanaliseren het gevaar binnen een smalle strook. Binnen deze smalle strook vormen ze een magnetische pool met dezelfde lading als de wagen die we besturen. Zolang we niet aan hun magnetisch veld raken, zijn we veilig.

Dead Man's Curve (Arena) plooit trapsgewijs uitkragende en boven elkaar gemonteerde fragmenten van vangrails tot een gesloten cirkel. De woordkeuze van de titel herinnert aan de macabere gewoonte waarmee Amerikaanse cipiers ter dood veroordeelden op hun laatste tocht begeleiden. De verwijzing tussen haakjes in de titel van het werk legt een verbinding met de vorm van de plek waar sedert de antieken mensen stierven ter verstrooiing van het volk. Dit werk is pure razernij waarbij je gedachten als toeschouwer meegesleurd worden in het veilige besef aan de buitenzijde van dit fysieke geweld te staan.
De gure hoogvlakte van het discours (Colosseum) ontstond naar aanleiding van de vijfde editie van Beeld in Park (Felix Happark, Etterbeek). Hier herneemt Koeman de vorm van het vorige werk en rekt die uit tot een pilvorm die op het eerste gezicht gesloten lijkt. Pas bij een rondgang rond het werk merk je een toegang. Hier gaat het verhaal van Dead Man's Curve verder. De klimmende vangrails dienen als zitplaatsen van een arena. Rekening houdend met het publieke karakter van een park, creëert Koeman een plek die door haar beslotenheid veiligheid uitstraalt en uitnodigt tot verwijlen of tot een gesprek.
Insecuriosity (barre-chocque pour un espace d'art), het derde werk, is een afgietsel van een vangrail gemaakt van tandartsgips. De frictie die ontstaat uit de combinatie van het uiterst fragiele materiaal met de vorm en vooral de functie van vangrails, krijgt in de titel een vervolg. Hier worden twee woorden samengebracht: onzekerheid en nieuwsgierigheid, twee gemoedstoestanden die de minder geharde kunstliefhebbers onder ons vaak ervaren bij het kijken naar kunst. Het volstrekte wit neutraliseert de blik. Enkel de vorm van de vangrail rest als een platonische afspiegeling van het reële object. Het kunstwerk wordt de behoedzame toetssteen van de gedachte. Het voedt de stille dialoog en schermt zichzelf af, rustig en voldaan.
Gips wordt gebruikt voor het afgieten, het kopiëren van werkelijke objecten.
Mould, Engels voor gietvorm, lijstwerk en schimmel, is een ander werk waarin Koeman gebruikmaakt van gips. Hier gaat het om een uitvergrote mosselschelp. Door de hoogte waarop ze is bevestigd, vraagt de schelp erom het hoofd tussen de twee helften te steken. Ook hier gaat de blik op in het neutrale wit, wordt erdoor uitgeschakeld en de aandacht verlegt zich naar het auditieve. De schelpvorm haalt de geluiden van de buitenwereld - het verkeer, de passanten, de regen en de wind - binnen. Als toehoorder neem je onwillekeurig de houding aan van het personage in het schilderij van Magritte, dat met geheven vinger de waanzin overdenkt.