tekst

Het samensmeltende landschap

Ole Henrik Moe Handleiding 98-00

Hij (Pytheas) vertelt over de streek van Thule en de gebieden errond (Ultima Thule = fabelachtig land, aan het einde der wereld gelegen); daar waar aarde, zee noch lucht op zichzelf bestaan, maar een bepaald mengsel vormen, een 'zeelong' (waar volgens hem aarde, zee en al het overige samensmelten) die dienst doet als bindmiddel voor alles, die begaanbaar noch bevaarbaar is. Wat op een 'long' lijkt, heeft hij zelf gezien, het overige heeft hij vernomen als 'geruchten'. (Strabo in Geographia)
Deze unieke schildering wordt toegeschreven aan een Grieks zeevaarder en astronoom, Pytheas, die in ca. 300 v. Chr. door de noordelijke gebieden trok en waarschijnlijk de Noord-Noorse kust aandeed. De reden waarom ik hier naar deze beschrijving verwijs, is dat ze mij onmiddellijk te binnen schoot, toen ik voor de eerste keer Ellen Ane Eggens beelden uit Noord-Noorwegen voor ogen kreeg: zo moet Pytheas het gezien hebben! Voor hem een vreemdsoortige waarneming: waar sneeuwvlekken, zee, bergen en mist de indruk wekken van iets onvoorspelbaars, iets onaantastbaars en precies daarom iets verleidelijks, iets mythisch.
Goede kunstfotografie heeft als eigenschap dat een geslaagde foto ons een ogenschijnlijk alledaags tafereel kan laten ervaren alsof het wildvreemd of totaal nieuw is, zodat zelfs wij die opgegroeid zijn in een bepaald landschap (bv. Noord-Noors), ons een beeld kunnen vormen van hoe bv. een Grieks zeevaarder rond 300 v. Chr. onze kust heeft gezien.
Men kan in die zin denken aan de neiging van de sociaal-antropologische wetenschap tot 'to make the familiar strange', waarbij bepaalde theorieën of modellen (die op het eerste gezicht absurd kunnen lijken en gezien de context zelfs dwaas) toegepast worden op een voor ons rudimentair fenomeen waardoor het plots een uitdaging vormt, een deel van een creatief proces. Belangrijkst is wellicht de dialectiek die tijdens zo een proces vrijkomt: bepaalde aspecten van wat voor ons verrassend blootgelegd wordt, zijn precies daardoor eerst vervreemdend, later verhelderend, zodat we ons genoopt zien een nieuwe theorie te ontwikkelen die alles door elkaar schudt en ons toelaat iets te herontdekken. M.a.w. van 'to make the familiar strange' naar 'to make the strange familiar' en terug, enz.
Bijgevolg beland ik, door de keuze die Ellen Ane Eggen maakt (afstellen, diafragma, belichtingstijd), in een gelijkaardige, creatieve dialoog tussen mijzelf en het beeld. Zij doet dit door een brede, horizontale afstelling (cadrering) te kiezen, en doordat het zwaartepunt van de compositie meestal centraal ligt (gelukkig ontdaan van de schoolmeesterachtige 'universele keurigheid' der Gulden Snede), creëert zij een dubbelzinnigheid die ik uitdagend en aantrekkelijk vind. In haar landschappen ervaar ik zowel stilte en bevrijdende schoonheid als een bepaalde onrust of, als u wil, een akelige stemming.
Door de grote formaten kan de toeschouwer zich verplaatsen, dichterbij gaan, zich een waarneming uitkiezen. Wanneer ik Eggens werk heel aandachtig bekijk, word ik geconfronteerd met gedachten die ik ooit las bij de Amerikaanse psycholoog J. Gibson. Gibson wilde de 'oerbestanden' van het waarnemingsproces in kaart brengen, waarbij hij stelde dat het belangrijkste elementaire waarnemingsproces bestaat in het ordenen van vlakken die zich kunnen verplaatsen, van vorm veranderen, ontstaan, verdwijnen. Latere ordening van objecten in een driedimensionele ruimte vormt een aansluitend proces dat kennis impliceert. Wanneer ik vlak voor deze foto's sta, neem ik enkel vlakken waar, heel abstracte onderdelen. Wanneer ik me langzaam van het beeld verwijder, ontstaan plotse 'breuken' in mijn waarneming: ik begin dan de verschillende vlakken te ordenen tot kleine 'klompen', die grotere en grotere eenheden worden, naarmate ik verder van het beeld verwijderd sta.
De meest fantastische 'breuk' vindt plaats als ik plots begrijp wat het beeld voorstelt, als ik erin begin te slagen zee van bergen van lucht te scheiden: een breuk die zo plots en op vrijwel onverklaarbare wijze intreedt, dat ik telkens opnieuw verrast word.