tekst

Nergens zijn

Over Frederic Geurts

Francis Smets Handleiding 97-98

Even lijkt het alsof er slechts enkele grillige, frêle, amper materiële lijnen zijn, die zich aftekenen op een lege wand. Bijna is er niets. Maar het is er, onloochenbaar, het treedt naar voren in zijn volle, fysieke présence. Deze lijnen zijn meer dan een beeld. Hoe tenger ook, ze zijn lijfelijk, evenzeer als wijzelf. We ervaren ze als verwant. Ze zijn zelfs meer dan wij. Ze bezitten de hardheid en de onverzettelijkheid van wat gemaakt is om te blijven duren. Ze zijn gestaald tegen de vergankelijkheid. Ze volharden in hun bestaan. Ze zijn tastbaar, maar ook onaantastbaar. Ze zijn aan hun materialiteit gebonden, gehecht zelfs. Doordat ze nauwelijks uit hun oorspronkelijke vormeloosheid treden, trekken ze alle aandacht op hun lichamelijk bestaan. Ze weigeren koppig hun stoffelijkheid prijs te geven, hoewel ze zich bewust zijn van de aantrekking van dit verlies. Ze leven ermee op gespannen voet.
Want terzelfdertijd zijn deze lijnen een wankel moment. Ze benaderen zeer dicht hun verdwijning. De tactiele gedaante krimpt als het ware in tot het uiterste punt, waar ze omslaat in nietigheid en ijlheid. Ze vervluchtigt, verschrompelt. Nog één stap verder en het is er niet meer. Nog minder en het is weg. De hardheid verandert in broosheid, alsof wat is, wil ontsnappen aan zichzelf. Het streeft met heel zijn vermogen naar ontvluchten, ontkomen, zich onttrekken aan zijn er-zijn. De fysieke aanwezigheid trekt zich terug op de rand van de afwezigheid, ze vertoeft op de grens van er-niet-meer-zijn. De lijnen vertonen een bereidheid om te verdwijnen. Ze staan open voor hun terugtrekking in hun initiële en absolute bescheidenheid, hun niet-bestaan, waar ze uit voortkomen. Alsof ze hun eerste staat willen terugvinden.
Uit deze lijnen spreekt een immense fragiliteit. Ze zijn met lijf en leden, met hart en ziel overgeleverd aan hun oneindige kwetsbaarheid. Ze zijn dermate tenger, dat ze het beeld van de kwetsbaarheid zelf oproepen. Breekbaar, onzeker, teer, ademen ze één en al het precaire bestaan uit. Het zijn getuigen van een allesoverheersende zwakte in alles wat op het eerste gezicht standvastigheid voorwendde. Het is en het wil oplossen in wat niet is, in het niets. Het verlangt ernaar op te gaan in het ledige, het elders, dat grenzeloos ver verwijderd is en aan een ondefinieerbare overzijde ligt.
Andere beelden uiten hetzelfde gevoel. Een brug, een balans, een instrument om de tocht te meten, het zijn alle constructies, die als het ware tochtgevoelig zijn, of toch gevoelig voor iedere bruuske beweging, aantasting, aanranding, verandering in hun rustende toestand, ze herinneren aan de kaarsvlam in de tocht, zoals alle bestaan kan genoemd worden. De brug is het beeld bij uitstek van het precaire standhouden. Het is de onmogelijke opstand tegen de zwaartekracht, de zwarte kracht die met eindeloos geduld alles naar zich toetrekt en in haar donkere, bodemloze afgrond laat verdwijnen. De brug brengt het precaire naar zijn uiterste grens. Ze is een hachelijke, onzekere uitdaging aan het verdwijnen en is hiermee dus in zekere zin solidair. Ze wil er dichtbij vertoeven, het oproepen, zich ernaar begeven. Het moment van verlies en vernedering is nog slechts even uitgesteld. De brug is niet dat trotse herkenningsteken van macht, maar een pro memorie aan de tijdelijke bestaansvorm. Ze wacht gelaten af en leeft van deze verwachting. Ze trotseert de tijd tijdelijk.
Altijd gaat het om het wankele, onzekere, kwetsbare moment tussen behoud en verlies, tussen zwaarte en lichtheid, tussen vastheid en vloeibaarheid, tussen tastbaarheid en verdwijning, tussen aarde en hemel, zoals alles wat gevleugeld is, gemaakt om te vertrekken, verlangend naar de opslorpende, onzichtbaar makende hoogte buiten bereik. Het is een irreële ambitie, het verdwijnen zelf te willen bewaren, het uiteenvallen te willen verzamelen, het heengaan bij zich te willen houden. Zo is het kwetsbare tussenmoment ook de plaats van het verlangen. Gevleugeld heet in het Grieks pteros en het verband met eros, verlangen, is niet zonder reden. Ook een brug is dubbelzinnig: zowel ergens-zijn, als verlangen elders te zijn. Aan welke zijde men ook zich ook bevindt, de brug is altijd een verwijzing naar een overzijde, die men nooit bereikt. Ze blijft immers ginds, waar men niet is. Ze verplaatst zich, zoals het verlangen steeds weer verglijdt en ten slotte met zijn inherente nostalgie vertrouwd raakt.
Er is een samenhang tussen de kwetsbaarheid en het verlangen, zonder dat het mogelijk is te beslissen wat eerst komt. Is het door onze diepe kwetsbaarheid dat we oneindig verlangen, of zijn we zo kwetsbaar omdat we bestemd zijn om levenslang door het verlangen op sleeptouw genomen te worden ? Ook dat is onzeker.
In de natuur gewaagt men van efemeriden. In feite geldt deze benaming voor ieder leven, het duurt bij wijze van spreken slechts van zonsopgang tot zonsondergang. Maar wat slechts één dag leeft, besteedt zijn luttele tijd aan het opzoeken van de andere efemeride, alsof deze verbinding het enige zou zijn dat een spoor nalaat. Kwetsbaarheid is tevens een vraag, een uitgestoken hand naar een andere hand. Deze lijn, die als het ware over de muur kruipt, is niet richtingloos, stuurloos, doelloos, verloren in de leegte. In de witte oneindigheid verschijnt niet één, maar zoeken twee of meer een weg naar elkaar. Ze komen tot leven door het reiken naar een gelijke, nabije, onbereikbare andere.
Uittreden uit zichzelf is eigen aan het precaire. In al hun broosheid streven deze lichamen naar een lotgenoot. Heel hun bestaan is bezield door de hoop dit ene doel te bereiken, de verdwijning in de andere, zoals een verlangen steeds een ander verlangen zoekt en er wil mee samenvallen. Het verlangen te verdwijnen is in feite het verlangen op te gaan in de/het andere en daartoe op te houden te bestaan als zichzelf: de volmaakte liefdesdaad.

Als één vergelijking zich opdringt, is het deze met een streling. Liefkozing, zegt men ook wel eens. Ze is het vluchtige bij uitstek. Ze glijdt over de opperhuid en raakt ze nauwelijks aan. En toch is ze het meest diepgaande gebaar, even ingrijpend als een teken, dat is ingekerfd in de rotswand. De grote droom zou dan zijn: een streling eeuwigheidswaarde geven, het vluchtige bestendigen.
We worden herinnerd aan die zeldzame momenten, die we ooit wel eens kenden. Een hand die een andere hand vindt, vingers die een naakte schouder strelen, een warme midzomernachtwind die over ons strijkt in een verlaten vlakte, een milde tocht die glijdt over de lichtmeegaande aren van een korenveld, momenten van overgave aan het vluchtige en van ontsnappen aan zichzelf. Of samenvallen met het ritme van het deinen op het water, vloeibaar worden, water met het water zijn. Liefdesverklaringen. Als kind, liggend in de kruin van een boom, gewiegd worden, tussen hemel en aarde, overgaan in wind, zon en lucht, eeuwigheid zijn. Konden we maar, ongezien, vermist voor altijd, blijvend op die plek vertoeven, ver, ver, ver.
Het is het nastreven van het onmogelijke: nergens-zijn. Nergens wijst op afwezigheid, ontkomen aan iedere plaats, niet-zijn. Zijn impliceert behoud van het lichamelijke bestaan, gebondenheid aan de ervaring van tijd en plaats. Nergens-zijn is dan een radicale paradox, het tegenstrijdige samengaan van blijven en verdwijnen, de uiteindelijke, onbereikbare oplossing van het verlangen. Dat bevestigt nog maar eens wat hier alleen kan herhaald worden: de kunst is de enige veilige plek op de wereld. Ze maakt het onmogelijke waar, tevergeefs.