tekst

De zestiende eeuw in vogelvlucht

De zestiende eeuw was in het Westen een periode van grote intellectuele onrust. Met ongekende expansiedrift brachten wetenschappers en ontdekkingsreizigers nieuwe continenten en kennisgebieden in kaart. De geïnformeerde zestiende-eeuwse burger bekeek de wereld in een verruimd perspectief: statische maatschappijstructuren, zoals de Kerk en het vorstelijk gezag, daverden onder de ingrijpende bewustzijnsverandering.

In de woelige breuklijn van wetenschappelijke vooruitgang versus godsdienstige malaise ontstond in de Nederlanden een nieuw genre in de schilderkunst: het wereldlandschap. Landschapsschilders uit het Noorden, met Joachim Patinir en Pieter Bruegel de Oude als voornaamste vertegenwoordigers, construeerden fictieve landschappen met een hoge horizon, als picturale samenvatting van de wereld zoals die in de zestiende eeuw gekend was. Max Friedlander, de autoriteit op het vlak van de vijftiende- en zestiende-eeuwse schilderkunst in de Lage Landen, interpreteerde de emancipatie van het landschap als zelfstandig genre als volgt: That generation itself called out for a shift in the centre of gravity. ... The world was huge, man a mere grain of sand in it. Earth had begun to rivet the attention of scholars, explorers, travellers and poets – and it was expanding apace. ... This privacy and dominion of the soil, with its teeming multitudes, was in accord with the growing knowledge of the physical world.

Kijkplezier speelde van bij het begin een belangrijke rol in de appreciatie van het landschap. De ontdekkingsreis door het schilderij stelde de kijker in staat de wereld in al zijn verscheidenheid te leren kennen, waarbij hij zich kon verbazen over de virtuositeit waarmee de kunstenaar dit alles op een klein oppervlak had samengebracht. (...) Meestal is zoveel mogelijk gekozen voor een hoog gezichtspunt zodat in één voorstelling zoveel mogelijk onderdelen van de zichtbare wereld konden worden samengebracht, variërend van hoge rotspunten tot diepe dalen, van smalle stroompjes tot uitgestrekte watervlakten en van onbewoonde streken tot boerendorpen en steden met al hun bedrijvigheid.

In zijn studie over het zestiende-eeuwse wereldlandschap legt Walter Gibson in zijn interpretatie de nadruk op de intellectuele stimulans die het landschap als geheel verschaft. Hij koppelt de ontwikkeling van de landschapsschilderkunst aan die van de cartografie. De productie van mappae mundi en andere landkaarten, waarvan de Antwerpse drukkerijen een belangrijk deel voor hun rekening namen, voorzag niet alleen in professionele en wetenschappelijke behoeften, maar bood daarnaast intellectueel en esthetisch genoegen. (...) de cartograaf (had) de immense structuur van land en zee gecomprimeerd tot een klein oppervlak en aldus de onverplaatsbaar gedachte aarde draagbaar gemaakt. De cartografie appelleerde derhalve aan de wens om de zichtbare wereld in al zijn veelzijdigheid te bevatten en hetzelfde verlangen kan een rol hebben gespeeld bij de waardering voor het geschilderde landschap. De nauwe banden die bestonden tussen Bruegel en de Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius, maken de kosmografische dimensie van de jonge landschapsschilderkunst des te meer waarschijnlijk.

Google Earth

De recente populariteit van het internetprogramma Google Earth, dat gedetailleerde satellietbeelden van het gehele wereldoppervlak voor iedereen toegankelijk maakt, mag als een eigentijdse vertaling van dergelijke wensen en genoegens beschouwd worden. Door middel van Google’s uitgebreide database bekijkt de kosmopoliet van vandaag de wereld vanuit een alomvattend vogelperspectief. Google Earth verschaft een hoeveelheid details die nooit in een atlas gebundeld kunnen worden en speelt daarmee in op de onbeperkte nieuwsgierigheid van virtuele wereldreizigers.

De mogelijkheden van Google’s digitale zweefvlucht worden op een concrete manier geïntegreerd in het werk van Nicolas Guiot, die een sculpturale constructie op het dak van Netwerk voorbereidt. Het idee van schaal(vergroting) speelt een belangrijke rol in zijn meest recente werk: de balkvormige volumes, die zowel binnen als buiten geplaatst worden, gaan de confrontatie aan met de architectuur van een plek, in een dynamische verhouding van één op één. Neven-, onder- en bovenschikking wisselen elkaar voortdurend af: in zijn voorstel voor Netwerk (Encombrant #) ziet hij het gebouw fungeren als sokkel voor een sculptuur die vanaf de grond maar gedeeltelijk zichtbaar is. De omvang van de ontmoeting tussen architectuur en beeldhouwwerk destabiliseert de positie van de toeschouwer: van onderuit gaat van de beide volumes, die met een bestudeerde nonchalance op het gebouw gestapeld worden, een onmiskenbare dreiging uit - zullen ze wel blijven liggen? Google Earth zou wel eens het alternatief kunnen zijn om het werk in de juiste schaal te bekijken - mocht het programma ondertussen over gedetailleerde beelden van Aalst en omstreken beschikken. De afstand en de verandering van perspectief zou de ingreep in zijn werkelijke context doen verschijnen; namelijk het geheel van industriële volumes die het uitzicht van Aalst beheersen.

De zestiende eeuw in vogelvlucht bis

In de zestiende-eeuwse schilderijen van Bruegel en Patinir is het duidelijk dat het om ingenieus geconstrueerde taferelen gaat. De kunstenaars beeldden geen zichtbare realiteit uit, maar stelden gaandeweg een quasi encyclopedisch overzicht samen van wat ze over de geografische en klimatologische eigenschappen van de aarde konden bevatten. Het vogelperspectief waarmee ze hun landschappen op eindeloze vlakten konden laten uitlopen, maakte van de toeschouwer een gewillige medeplichtige. Het bij wijlen duizelingwekkende – maar in realiteit weinig waarschijnlijke - gezichtspunt creëerde de aanlokkelijke illusie dat een schilderij een onbeperkt zicht op de wereld kon bieden, waar alles met een arendsblik te overschouwen viel.

Virginie Bailly maakt het idee van het geconstrueerde landschap aanschouwelijk in haar installaties in de open lucht. Door middel van stellingen en houten platen creëert ze kijkdozen om de pictorale ervaring van het landschap opnieuw in zijn oorspronkelijke context te laten plaatsvinden (Project Point de vue, i.s.m. Fanny Zaman, FLACC, 2003; Zeezicht (Point de vue 2), Tongeren, 2005). De beheersing en de manipulatie van de blik van de toeschouwer, die in de zestiende-eeuwse schilderijen al dan niet impliciet aanwezig is, wordt bij haar een centraal motief. Midden in het landschap plaatst ze een tijdelijk bouwwerk dat door zijn geïsoleerde positie op een mijnheuvel en zijn elementaire vormgeving aan militaire architectuur doet denken.

In Project Point de Vue doorprikt Virginie Bailly de illusie van de individuele, ongemedieerde blik op de wereld: wie bepaalt hoe je het landschap beleeft? Het uitzicht op de omgeving werd via een beperkt aantal openingen op ooghoogte vastgelegd: een van de zogenaamde ‘vensters’ bracht ingrijpende werken aan een nabije heuvel in beeld. Met andere woorden: de constructie van het omringende landschap was volop aan de gang op het moment dat haar installatie het geconstrueerde karakter van tweedimensionale landschapsvoorstellingen liet zien.

In haar jonge oeuvre wisselt ze installaties af met tweedimensionaal werk, zoals (olieverf)schilderijen en video. Het is opvallend dat haar schilderijen steeds een zekere diepte bevatten – zonder dat het onderwerp daarom onmiddellijk een realistische weergave van de werkelijkheid is. Door de wisselwerking tussen warme en koude kleuren, verticale en horizontale lijnen, of ondoorzichtige en transparante vlakken ontstaan specifieke vibraties van licht en kleur die deels abstract en maar toch heel herkenbaar zijn.

De plek zonder eigenschappen

Isabelle Hayeur is een Québécoise die in haar video’s en fotomontages o.m. uitgestrekte landschappen en bouwwerven construeert. Aan de hand van gedetailleerde natuurbeelden of -ontginningen creëert ze fictieve panoramische uitzichten die lijken te verwijzen naar het verloren ideaal van de ongerepte natuur (Destinations reeks, 2003-2004). De toeschouwer kan in die reeks zijn blik vrijelijk laten dwalen over de opeenvolging van vennetjes, bossen, zeezichten en golvende groene vlaktes, maar het genot van de panoptische visie duurt niet lang. De interne incoherentie op het vlak van schaal, scherpte, lichtinval, micro-klimaat en plantensoorten creëert een ad hoc vervreemdingseffect: omwille van het ongeloofwaardige karakter van het beeld blijkt het vogelperspectief niet zo bevredigend als aanvankelijk gedacht. De fata morgana lost op in de lucht.

Het eigenlijke onderwerp van haar werk is de non-lieu, de plaats zonder eigenschappen. L’ethnologue français Marc Augé fut le premier à faire une analyse très complète du non-lieu, en le définissant comme un espace n’étant ni identitaire, ni relationnel ou historique. (...) Un lieu est un espace circonscrit devenu familier par la mémoire qui lui est attachée. Sous la pression de la mondialisation, nous assistons à la dissolution de cette notion, par la disparition graduele du local et de l’identitaire. Paradoxalement, les no man’s land sont très investis de notre présence, mais nous les occupons sans les habiter. Notre condition contemporaine trouve sa parfaite expression dans les lieux que nous rendons déshumanisés.

Voor de tentoonstelling in Netwerk stelt ze de installatie Tunnel Vision voor, die ze ontwikkelde in samenwerking met Eric Raymond. Via een ingenieus systeem van licht-, projectie- en geluidseffecten krijgt de toeschouwer de indruk dat hij zich in een vluchttunnel bevindt, als antithese op de panoramische illusie die ze in vorige reeksen ontwikkeld heeft.

Kristin Posehn

In de visie van Kristin Posehn staat elk kunstwerk voor de mogelijkheid tot een ruimtelijk, conceptueel en ervaringsgericht traject. De notie van het traject mag vrij letterlijk genomen worden; het betreft daadwerkelijk een ‘reisweg’. In de witte, cleane binnenruimtes van tentoonstellingszalen creëert Posehn installaties van een landschappelijke allure, vaak met materialen die we eerder associëren met de ruimte buiten, zoals aarde, asfalt, graszoden... In installaties die te groot en te complex zijn om in één oogopslag te zien of om vanuit één perspectief te beschouwen, nodigt ze de toeschouwer uit een eigen (werkelijk of mentaal) traject te kiezen. Haar werk stelt vragen over de verhouding tussen binnen en buiten, groei en verval, beeld en realiteit, en het vormt vaak een reflectie op de oude schilderkunstige genres van het stilleven en het landschap. In haar realisaties slaagt ze er in een verhalende structuur tastbaar te maken als het samenvallen van ruimtelijke en temporele aspecten.